Ik rits mijn tent open en verwelkom de verse lucht. De zon staat al hoog boven het Iraanse plateau. Ik moet langer geslapen hebben dan voorzien. Ik kijk voor me en ontdek dat mijn tent als een eilandje in een grote plas water staat. Ik ben even in de war. Gisteren zette ik mijn kamp op tussen vier muren van een beschutting. Die is nu helemaal ondergelopen. Onmogelijk dat hier vannacht zoveel regen viel. Zonder verklaring schiet ik in actie. De binnenkant van mijn tent is wonderbaarlijk droog gebleven en dat wil ik zo houden. Als alle spullen uiteindelijk ergens droog staan, schuif ik de modder van mijn klompen af en plof ik neer op een steen. Ik zie buizen liggen op de akkers, de landbouwers moeten in de ochtend de kraan opengedraaid hebben.
Als ingedommelde draken wachten de heuvels tussen hier en Firuzabad. Het is vijf uur rijden met veel hoogtemeters. Af en toe kruis ik een auto, telkens zwaaien mensen of steken ze een duim uit. Maar de Iraanse Paykan waarmee ze rijden, motiveert me genoeg. De wagen van het volk is een dame die nagekeken mag worden. Het doet denken aan de Lada, die je ziet zodra je de grens oversteekt naar de voormalige Sovjet-Unie. Maar de heersers van het asfalt zijn de giganten die je van kilometers ver ziet aandaveren. De vooruitgestoken neus bouwt een afstand tussen de weg die bereden moet worden en degene die het geluk heeft een Mack-Truck te mogen besturen. Op de cabine staat telkens een motto. ‘KING OF THE ROAD’ of ‘ONLY GOD’. Wat hier op de baan rijdt, roept nostalgie op naar tijden die je zelf niet meemaakte.
Enkele uren later bereik ik een dorp. Een man wijst me de weg naar een winkeltje met drank en droge voeding. Het duurt niet lang voor een groepje mensen zich rond me verzamelt.
“Waar kom je vandaan? Waar ga je naartoe?”
“Waar is je vrouw? Hoeveel kinderen heb je?”
“Wie is de beste voetballer: Messi of Ronaldo?” Sommigen zeggen niets en kijken alleen maar. Alsof ze eerst even op zichzelf het vraagstuk proberen op te lossen waar ik vandaan kom. ‘Germania?’ gokken enkele mensen. Enkele kinderen hangen over het stuur van hun fiets en vergelijken die met de mijne. Twee mensen vragen een foto en wensen me veel succes met de tocht.
Met nieuwe energie vertrek ik voor de komende uren. De randen van het dorp gaan zacht over in contouren die glooien. Het is een uitnodiging tot het landschap dat de ruimte tussen de Balkan en het verre China lijkt te vullen. De steeds op en neer dansende landbrug van Eurazië is het speelveld van de wereldfietsers. Eens in het ritme van de lange uren op de fiets, geraak je in vervoering. Je gaat op in het landschap en zweeft van heuvel naar heuvel.
Maar dan stoppen er drie motoren op zo’n honderd meter voor me. Vijf kerels stappen af. Er lijkt nochtans geen reden om hier te stoppen. Een van hen draagt een bomberjack en een bivakmuts. Hij stapt met zijn zwarte laarzen op me af. Mijn oog valt meteen op de sikkel die de man in zijn vuist klemt. Mijn instinct vat de situatie samen in enkele seconden. Hij komt dichter. De anderen wachten bij de motoren. Achter me komen geen auto’s aan, dat valt tegen. De man roept iets naar me. Op de achtergrond stralen de heuvels vreemd genoeg nog altijd een soort rust uit.
Als dit een overval is, dan probeer ik het vriendelijk te houden. Dan geef ik hem het geld in mijn portefeuille. Mijn grote voorraad cash, verstopt in mijn fietszakken, probeer ik ongemoeid te laten. Maar iedereen met slechte bedoelingen weet ook dat buitenlanders geen bankkaarten kunnen gebruiken in Iran. Hij komt nog dichter.
“Photo!” roept de man nu.
Ik kijk verbaasd nog eens naar zijn kompanen en ze zien er niet vijandig uit.
“Photo?” vraagt de man die nu voor me staat.
De opluchting doet me hardop lachen. “Natuurlijk wil ik een foto!”
Zijn kameraden komen er ook bij, we nemen enkele foto’s en wensen elkaar het allerbeste. Niet iedereen beschermt zijn gezicht met zonnecrème.